![]() wordt beschouwd als een van de belangrijkste Duitse schrijvers in de eerste helft van de 20ste eeuw. Zijn oeuvre omvat novellen, romans, musicologische en letterkundige studies en essays. Na een crisis, mede veroorzaakt door de Eerste Wereldoorlog, maakte de doodsfascinatie plaats voor een positievere waardering van het leven: hij stond nu een humaniteitsideaal voor, gebaseerd op onderling respect. Hiervan getuigt o.a. de 'tijdroman' Der Zauberberg (1924). Tussen 1933 en 1943 verscheen de tetralogie Joseph und seine Brüder, een psychologische benadering van een aan de bijbel ontleend, mythisch gegeven. Een grandioze reanimatie was de schildering van Goethe in zijn nadagen in de roman Lotte in Weimar (1939). Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus, de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. Op het eind van zijn leven greep hij opnieuw naar het oude motief van de kunstenaar als verdacht individu, in de onvoltooid gebleven roman Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull (1937; def. uitg. 1954). Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal-socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger (Deutsche Ansprache, ein Appell an die Vernunft, 1930; Achtung Europa! Aufsätze zur Zeit, 1938). Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Hij ontving in 1929 de Nobelprijs voor literatuur, vooral uit waardering voor Buddenbrooks. Zijn werken waren van 1933 tot 1945 in Duitsland verboden. Na de oorlog kritiseerde hij niet-geëmigreerde anti-nationaal-socialistische schrijvers om het feit dat zij gebleven waren. Dit schaadde zijn aanzien in Duitsland zeer. Thans echter wordt hij ook daar weer gewaardeerd als een van de grote figuren van zijn tijd. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921. Met de Tagebücher 1933-1934 begon Peter de Mendelssohn in 1978 aan de uitgave van alle dagboeken. Na zijn dood zette Inge Jens de uitgave voort. In 1996 verscheen het laatste deel. In Zürich is het Thomas Mann-archief gevestigd. |




























