Essay
|
Lotta continua
|
Citaat:
|
‘Is het mogelijk om een krachtig pleidooi voor de muzen af te steken en daarbij koelbloedig en rationeel te blijven? Dat is een hele opgave. Je preekt meestal voor eigen parochie. Je zou moeten teruggrijpen op enkele plechtstatige definities van de mens, moeten stellen dat wij zonder een vonk van inspiratie, zonder een moment los te komen, zonder een moment van extase, mindere wezens zouden zijn, waarbij ik met wij zowel de menselijke soort als individuele mensen bedoel. En toch blijven er gegronde twijfels bestaan.’ (p.76)
|
Samenvatting:
|
In dit essay houdt Adam Zagajewski een vurig pleidooi voor de Muzen, die in een wereld beheerst door de voortschrijdende wetenschap, technologie en massamedia, steeds meer in de verdrukking raken. Hij lijkt zich in een traditie te scharen van intellectuelen die de teloorgang van het klassieke schoonheidsbegrip bejammeren en toezien hoe de ziel uit onze cultuur wordt verbannen. Maar de kunstenaar in Zagajewski betoont zich aanzienlijk strijdbaarder. Hij vestigt zijn hoop en vertrouwen op de menselijke geest, die voortgaande stroom van gedachten, emoties en ervaringen die het verleden met de toekomst verbindt. Bij uitstek de kunsten hebben volgens de auteur de roeping om onze hoge cultuur levend te houden, niet alleen door zich te laten inspireren door de energie en standvastigheid van de traditie uit het verleden, maar bovenal door de Verbeelding in het heden.
|
Vertaling: Jan Willem Reitsma
|



























