Een van de merkwaardigste aspecten van onze maatschappij, schrijft hij, is dat iedereen op jacht is naar geld, terwijl vrijwel niemand er oprecht in gelooft.
'Bijna iedere Amerikaan zal zeggen dat Amerikanen te materialistisch zijn en hun principes te snel te grabbel gooien. Blijkbaar heeft op een of andere manier iedereen zich de aloude kritiek op de burgerlijke cultuur eigen gemaakt; men is zijn eigen criticus geworden. En als we ons op dit tweede, kritische niveau de vraag stellen wat het betekent jezelf niet te verloochenen, dan is er een stemmetje in ons dat steevast antwoordt: ''Wees trouw aan jezelf''. Dit is wat ik wil noemen onze obsessie met oprechtheid.'
Melzer signaleert een ware honger naar persoonlijke bekentenissen en onthullingen, die gestild wordt met psychoanalyse, alles-onthullende memoires, sensitivity-trainingen en televisieprogramma's als de Oprah Winfrey-show. 'We eisen', schrijft hij, 'volkomen openheid, niet alleen van onszelf maar ook van anderen; iets in de doofpot stoppen of iets willen verbloemen is al bijna die ene absoluut onvergeeflijke zonde geworden, zoals president Clinton onlangs merkte in de escalerende ''Whitewater affaire'''.
Het verschijnsel dat Melzer beschrijft, zal ons Europeanen - overspoeld als we worden door Amerikaanse tv-programma's - niet onbekend voorkomen , maar de betekenis van Melzers artikel schuilt niet zozeer in de weergave van deze symptomen van het eigentijdse narcisme als wel in de gevolgen van dit oprechtheidsstreven voor de moraal, of zoals hij schrijft:
'In praatshows op de televisie kunnen we ons dagelijks vergapen aan een parade van ex-drugsverslaafden, kinderverkrachters en andere verdoolden, die uitgebreid over hun wandaden mogen vertellen en aan het eind van de uitzending beloond worden met de bewondering van het publiek voor hun moedige bekentenissen en oprechtheid. Hoe gruwelijker hun geheimen, des te prijzenswaardiger is hun openhartigheid. In zekere zin geldt dus hier, hoe slechter ze zijn, hoe beter: kampioenen der oprechtheid zijn alleen te vinden onder de meest verdoolden of ontaarden.'
Misdaad verandert - overeenkomstig Nietzsches befaamde Umwertung aller Werte - in een deugd.
Wat is dat voor deugd, vraagt Melzer zich af, en waar komt hij vandaan? Volgens hem is nog steeds de beste methode om zulke vragen te beantwoorden een historische benadering en daarom gaat hij - als kenner van diens werk - bij Jean-Jacques Rousseau te rade. Rousseau is in zijn ogen de eerste moderne denker die ervan uitgaat dat het wezen van de mens - dat geworteld is in zijn zijnsbesef - 'niet openbaar is maar privé, niet rationeel maar gevoelsmatig, niet moreel maar spontaan, niet universeel maar uniek, niet formeel maar oorspronkelijk en niet gesloten maar door compassie expansief'.
Rousseau is degene die het 'oprechtsheidideaal' het vroegst en het grondigst heeft verwoord, als reactie op de hypocrisie van zijn tijd.
Melzers analyse van Rousseaus denken getuigt - genuanceerd als zij is - van een helder inzicht in dat denken. De implicaties ervan stellen de auteur ten slotte in staat om mèt de lezer, onder licht voorbehoud, de sprong naar deze tijd te maken: 'De afgelopen decennia is het oprechtheidsideaal duidelijk iets algemeens geworden, dat de hele samenleving heeft doordrongen. Vandaag de dag geeft iedereen af op conformisme en is oprechtheid tot algemene deugd verheven. Dit betekent dat een van de merkwaardigste kenmerken van onze maatschappij eruit bestaat dat wij ons allemaal op een bepaalde manier de intellectuele kritiek op het burgerlijk bestaan eigen hebben gemaakt. In die zin zijn wij tegelijkertijd exponenten en critici van onze eigen cultuur. En alles wat ooit zo pertinent anti-burgerlijk scheen, blijkt nu slechts laat-burgerlijk te zijn.'
Het non-conformisme - in t-shirt en kapotte spijkerbroek naar de schouwburg bij wijze van spreken - is de norm geworden; het conformisme de uitzondering. Maar zo'n misschien al te gemakkelijke gevolgtrekking is niet per se (hoe treffend ook) de kracht van dit artikel. Dat is de historische dimensie die het verschijnsel in Melzers analyse krijgt, en daarmee de suggestie van zijn voosheid, om niet te zeggen: zijn belachelijkheid.
De historische dimensie treedt ook aan het licht in twee andere artikelen in Nexus, één over Hölderlin van Antoon Braeckman, en één over de Amerikaanse denker en dichter van Spaanse oorsprong George Santayana (1863-1952), geschreven door Noël O'Sullivan. Het eerstgenoemde schetst aan de hand van Hölderlin - die het geluk had in dezelfde tijd te leven als Goethe, Fichte, Schiller, de gebroeders Schlegel, Novalis en Ludwig Tieck, zo'n beetje de hele deutsche Klassik - het ontstaan van de 'intellectueel-kunstenaar'.
Het tweede is een gedegen inleiding tot het denken van een filosoof, die geïnspireerd door Spinoza en met een beroep op het verhaal als filosofisch instrument het nihilisme van de moderne liberale traditie heeft blootgelegd, een filosoof die de lach als heilzaam middel niet negeerde, of zoals O'Sullivan schrijft: 'Met de pompeuze vormen van zelfmedelijden in gedachten waaraan de moderniteit minstens al vanaf de tijd van Rousseau lijdt, en de niet minder ronkende ideologische denkbeelden die in de loop der tijden zijn gekoesterd, is de alternatieve, vaak veronachtzaamde komische visie op het bestaan die Santayana zo welsprekend opnieuw geformuleerd heeft, het overdenken waard.'
Dit Nexus, met óók nog een stuk van Coen Stork, de voormalige Nederlandse ambassadeur in Havana en Boekarest, over 'onze schuld aan Oost-Europa', een artikel van Miriam Yardani over het Franse nationalisme en aantekeningen van René Foqué bij 'La mort des cathédrales' van Marcel Proust, biedt de lezer zo'n 150 pagina's boeiende essayistiek en boekbesprekingen. De moeite waard dus, al is het taalgebruik - helaas - soms iets te 'academisch' en zijn de vertalingen niet steeds even fraai.
|