Wat zingt, is wat zwijgt
|
|
De stem
Ze staat eenzaam op het toneel en heeft nergens een instrument. Ze legt haar handen op haar borst, daar waar de ademhaling wordt geboren en dooft. Niet de handen zingen, noch de borst. Wat zingt, is wat zwijgt Het doek Zwijgend stond ik voor een donker schilderij, voor een doek, dat een jas, een hemd, een vaandel had kunnen worden, maar dat de kosmos werd. Zwijgend volhardde ik voor het donkere doek, geestdriftig en opstandig, en ik dacht aan de kunst van het schilderen, van het leven, aan zoveel lege, koude dagen, aan ogenblikken van hulpeloosheid, aan mijn koude verbeeldingdie de klepel van een klok is en al slingerend leeft, slaand tegen wat het liefheeft en liefhebbend wat het slaat, en ik bedacht: dat doek had ook een lijkkleed kunnen zijn. Ik liep door een middeleeuwse stad Ik liep door een middeleeuwse stad, 's avonds of met de dageraad, was heel jong of tamelijk oud. Ik had geen horloge bij me, geen kalender, alleen mijn bloed mat koppig de eeuwige afstand. Ik kon opnieuw met mijn of andermans leven beginnen, alles leek makkelijk te zijn, de ramen van de huizen waren niet helemaal dicht ik kon in vreemde levens kijken. Het was voorjaar of het begin van de zomer, warme muren, de lucht zo zacht als sinaasappelschil; ik was heel jong of tamelijk oud, ik kon kiezen, kon leven. |
![]() |





























