Geknipt voor u
|
20/08/1999
|
Volkskrant
|
De tijd is de vrede zelf
|
20/08/1999
|
Volkskrant
|
De tijd is de vrede zelf
|
![]() |
Op 12 mei hield Elisabeth Mann Borgese de zesde Nexus-lezing in Tilburg onder de titel 'The Years of My Life'. Dat was een verwijzing naar de lezing 'Meine Zeit', eveneens vertaald met 'The Years of My Life', die haar vader Thomas Mann in 1950 hield toen hij 75 jaar en wereldberoemd was. Reden voor het Nexus Instituut om als tweede deel van de zogeheten Nexus Bibliotheek een Nederlandse vertaling uit te brengen van Thomas Manns lezing, want die was er nog altijd niet. In Nederland gebeuren sommige dingen pas 49 jaar later. Vijf jaar voor zijn dood heeft Thomas Mann op verscheidene plaatsen zijn lezing afgestoken. In het eerder dit jaar verschenen Privé-domeindeel Roem en verliefdheid - Dagboeken 1949-1955, net als Mijn Tijd vertaald door Paul Beers, is na te gaan hoe hij zich toentertijd voelde. Beroerd, maar daar zullen de liefhebbers niet van opkijken. Immers, de dagboeken van de schrijver tonen hem vooral van zijn zeurderige en gefrustreerde kant. Als schrijver kon hij zich boven de dingen wanen, als mens was hij dikwijls uit zijn evenwicht. Net nu hij in twee maanden de lezing over zijn tijd en leven moest opzetten, werd hij getroffen door het bericht dat zijn broer Heinrich was gestorven. Dinsdag 21 maart 1950: 'Sloot vanmorgen de voordracht 'Meine Zeit' af. Hij kwam tot stand onder hoofdpijnen, die het teken zijn van de geschoktheid van mijn centrale zenuwstelsel door het overlijden. Wist altijd hoe het me zou aangrijpen. - Deze voordracht, in de Library of Congress te houden, is misschien een historische daad, van grotere allure dan de rede in de Beethovenzaal van 1932. - Stroom van condoleanties, moeilijk de baas te worden.' In 1932 had Mann in de Beethovenzaal te Berlijn een rede tegen het nazisme gehouden, maar nu wilde hij in Amerika, waar hij in ballingschap leefde, onder meer een aanklacht tegen de Koude Oorlog houden. In het paranoïde Amerika van 1950 kon zo'n houding al duiden op verdachte communistische sympathieën. 'Om een ongewenste politieke rel te voorkomen', schrijft Rob Riemen in het voorwoord van Mijn Tijd, 'laat het Library of Congress in Washington - de plaats waar oorspronkelijk Meine Zeit als eerste zou worden uitgesproken - hun 'Consultant in Germanic Literature' weten dat hij dit jaar maar beter niet kan komen. Thomas Mann zou er nooit meer komen. Hij neemt afscheid van Amerika, dat na de dood van de door hem zo bewonderde Roosevelt zijn land niet meer kan zijn.' Nieuwe ellende dus, waar het publiek van destijds allemaal weinig van heeft gemerkt. Zie de aantekeningen in zijn dagboek. Op 22 april 1950 brengen Erika en Thomas nog wat inkortingen aan, een dag later is het zover, in Chicago: 'Plechtige stemming. Sprak met goede microfoon van de kansel en leverde goed werk. Slotindruk zeer positief.' New York, 30 april: '(. . .) onder grote toeloop in het Kaufman Auditorium de voordracht, die diepe indruk maakte.' Stockholm 4 mei: 'Echte geestdrift.' Parijs, 13 mei: 'Ovaties.' In Lugano leest hij op 23 mei de lezing voor de radio voor: 'Op één verspreking na goed gelukt. De jonge man van de radio geroerd. Hij was bevallig. Nog meer de jonge laborant die ons ontving, fijn gesneden Zwitsers gezicht, beste ras.' Zürich, maandag 5 juni: 'Lang applaus tot slot met opstaan van het publiek.' Daar zou hij blijven, met alle gevolgen van dien, want op zijn 75ste werd de zesvoudige vader Thomas Mann dramatisch verliefd op kelner Franz Westermeier, maar dat is een ander verhaal, dat hier alleen wordt aangestipt om aan te geven hoe groot de spanning was tussen de publieke en de private Mann. Zijn roem groeide gelijkelijk met zijn somberte. Terwijl de mensen de zalen voor hem afbraken, worstelde de schrijver met zichzelf en zijn tijd. Het moet gezegd, dát is een voordeel van die ernstig verlate vertaling: beter dan voorheen kunnen we begrijpen waarom Mann deze lezing een overwinning heeft genoemd. Hij moest zich veel standvastiger voordoen dan hij in werkelijkheid was. Meine Zeit werd bij Paul Beers Mijn Tijd; die tweede hoofdletter geeft al aan dat Mann de zaken groot aanpakt. Zijn lezing, die twintig bladzijden beslaat, is een knap staaltje retoriek - waarmee zowel zijn opgeblazenheid als zijn behendigheid uitgedrukt wil zijn. Het gemak waarmee collega Goethe wordt geciteerd, of waarmee hij toespelingen maakt op Wagners Ring, is ronduit verbluffend. De manier waarop hij zijn tijd verbindt met zijn oeuvre, grenst eveneens aan brutaliteit. Ik ben 75, zegt hij in 1950, en heb dus de negentiende eeuw ineen zien zijgen. Men leze de Buddenbrooks (1901), geschreven tussen Manns 23ste en 25ste jaar. Toen hij zag dat het burgerdom werd bedreigd, schreef hij Betrachtungen eines Unpolitischen, tijdens de Eerste Wereldoorlog. Een wellicht iets te Duits boek. 'Nauwelijks was het klaar, in 1918, of ik maakte me ervan los', zegt hij in 1950. Noot van Rob Riemen: 'Dat klopt niet helemaal. Ondanks enkele inkortingen voor de tweede druk noteerde Mann bijvoorbeeld in het dagboek van 1 december 1921: 'Proeven van de nieuwe druk van de Betrachtungen komen binnen; ik lees ze zonder gêne, vaak met instemming.' ' Ja, die dagboeken maken Thomas Mann beslist boeiender! De lezing komt erop neer dat Der Zauberberg (1924) de grote gooi is geweest naar het humanisme dat de wereld had kunnen redden. In Doktor Faustus, het werk van zijn oude dag dat hij in de Tweede Wereldoorlog aanvatte, wordt het failliet van grote idealen (artistieke zowel als politieke) onder ogen gezien. En tegelijk werd Mann aldoor beroemder. In de laatste paar pagina's weet hij subliem te suggereren dat het publiek naar een oud man is komen luisteren, die ervan overtuigd is dat Amerika en Rusland elkaar beter de hand kunnen schudden, dat Amerika het initiatief zou moeten nemen tot 'een universele vredesconferentie waarbij niet alleen een einde zou worden gemaakt aan de verderfelijke bewapeningswedloop, maar een plan zou worden ontworpen voor een alomvattende financiering van de vrede'. Oorlog is het woeste versmaden van de tijd, de tijd is de vrede zelf. Dat kostbare geschenk moeten we vervullen 'met het werk aan onszelf'. Hier achteraan zei Mann dan nog dat hij op zijn leeftijd iets wist 'van de genade van de tijd en zijn geduldige vervulling'. Je voelt hoe de toehoorders bij die passage de tranen in de ogen hebben gekregen, en ze niet meer konden wachten om in een ovatie los te barsten. Vakwerk van Mann, die met deze rede in 1950 overigens aanmerkelijk moediger en eigenzinniger was dan we nu anachronistisch zouden kunnen oordelen. Maar vooral door de uitgave van de dagboeken komt om de toespraak een floers van tragiek te hangen. In Meine Zeit probeert een oud man te zeggen hoe het met de wereld verder moet, terwijl hij in de beslotenheid van zijn werkkamer snottert over zijn 'verward, uiteengerafeld, overbelast, lijdend bestaan dezer dagen, gejaagd, overprikkeld, ongeconcentreerd, misbruikt'.
|
Arjan Peters
|




























